1 Levend wezen
Tijdens een echt oogcontact tussen twee mensen ervaren beiden het wezen van de ander. Beiden zijn tegelijkertijd zender en ontvanger. Bij een vreemde wenden we al heel snel de blik af, het is te intiem. Stel je eens voor dat de Aarde een levend wezen is dat zendt en dat kan ontvangen. En dat ons mensen niet als vreemd beschouwt, maar ons toegedaan is. Wat zou dat betekenen voor onze relatie met haar?
Meta-standpunt
Toen tweeduizend jaar geleden Christus aan het kruis stierf, had dat een werking op de gehele Aarde. Rudolf Steiner zegt daarover: ‘als je de Aarde vanuit de ruimte had kunnen zien, zou je gezien hebben dat haar aura op die Goede Vrijdag veranderde’.

Afb.1, de Aarde gezien vanaf de Maan
Dit meta-standpunt was inderdaad een halve eeuw later voor de astronauten mogelijk, maar dan op een fysiek niveau. Wat zij als allereerste mensen zagen, maakte een verpletterende indruk op hen. Dáár was hun thuis; die planeet met een beweeglijke kleurenpracht in scherp contrast met de grote donkere ruimte daaromheen. Zij waren zich bewust van hun bevoorrechte positie en geraakt door de kwetsbaarheid van de Aarde. Zij richtten hun blik naar de Aarde, maar er kwam ook iets naar hen toe vanuit de Aarde. De geharde straaljagerpiloten, want dat waren alle astronauten in die eerste jaren, werden stuk voor stuk voor de rest van hun leven afgezanten van de wereldvrede.
Het raakt me om me voor te stellen dat de goddelijke wereld voortdurend de Aarde en haar bewoners vanuit een dergelijk meta-standpunt kan bekijken. Het kan niet anders dan dat zij een diep mededogen moeten voelen voor deze prachtig stralende planeet en haar bewoners.
Wezen
Het wezen is de kern. Het is datgene waar het om draait, het wezenlijke, aldus het spraakgebruik. Wat is mijn wezenskern? Het is niet wat ik heb, maar wat ik ben, diep van binnen. Allerlei lagen moeten afgepeld worden: zo bén ik niet mijn lichaam, maar héb ik het. En dat geldt ook voor mijn constitutie en mijn karakter. Al die eigenschappen zijn lagen in mij, die ik kan bekijken vanuit mijn wezen. Ik kan besluiten mijn neigingen die daar vanuit gaan wél of niet te volgen. Ik ben er natuurlijk wel mee verbonden; als mijn lichaam gewond is, doet het mij pijn. Mijn wezenskern, mijn ik, zetelt in mijn ziel en bedient zich van de zielevermogens denken, voelen en willen. Dat ik in staat ben om tijdens het uitvoeren van een rekenopgave ook te bekijken hoé ik dat doe, getuigt van het metaniveau dat het ik inneemt ten opzichte van mijn denken als vermogen van de ziel. Zo is het ook met mijn emoties en wilsimpulsen. Het is het aloude beeld uit de Griekse oudheid van de wagenmenner.

Afb. 2, de wagenmenner, symbool voor het ik; soeverein, losse teugel en éénhandig vastgehouden
Als het voor mij al moeilijk is om het wezenlijke in mijzelf te pakken, terwijl ik er zelfs letterlijk bovenop zit, hoe is het dan mogelijk om het wezen van een ander mens, laat staan het wezen van de Aarde te kunnen waarnemen? Misschien komt het wel omdat het zo perfect is georganiseerd en op elkaar is afgestemd dat het hóe mij helemaal niet hoeft bezig te houden en ik mij helemaal kan concentreren op het wát, op de inhoud van mijn gedachten.
Poorten, met name de ogen
Mijn huid houdt mijn lichaam bij elkaar en grenst mij af van de omringende wereld. Tegelijkertijd is de menselijke huid permeabel, en in tegenstelling tot de dieren die een vacht hebben, hebben wij daarmee een zintuig extra door de mogelijkheid van een liefkozend streling. In deze omhullende afgrenzing zijn echte openingen, poorten waardoor heen ik in contact kan treden met de buitenwereld, of een medemens. Het zijn de zintuigen, en met name de oren en ogen. In een mensenstem hoor ik (veel) meer dan feitelijke informatie, maar zeker ook zijn zielenstemming en mogelijkerwijs daar doorheen zijn wezen. Het zintuig waarbij ik me als mens het meest blootgeef aan een medemens en waarmee ik ook een ander mens het meest direct waarneem, zijn de ogen. Het is de gelijktijdige wederkerigheid die de ogen zo bijzonder maakt; zien en gezien worden. In die dynamiek ontstaat warmte, een zielewarmte. Nu ik het opschrijf ontroert het mij opnieuw. Het is, denk ik, de dimensie die de astronauten zo diep raakte tijdens hun aanschouwen van de Aarde: er kwam ook iets naar hen toe vanuit het wezen Aarde, een iemand. Maar ik, aardse sterveling, die niet in de meta-positie van de astronauten verkeer, die inderdaad op de Aarde, of wanneer ik de omringende atmosfeer van de Aarde meereken, zelfs ín de aarde rondloop, bevind me wederom in de positie van té nabij.
De vraag is nu of de Aarde ook zulke toegangspoorten heeft, vergelijkbaar met oren en ogen in een menselijk lichaam. Rudolf Steiner beschrijft het in een voordracht als volgt (1) :
‘We kijken als het ware, zoals we een ander mens in de ogen kijken, de Aarde in de ziel, wanneer we begrijpen hoe zij ons kond doet van haar ziel in de bloemen en bladeren van de plantenwereld”
Het is de stroom van de jaargetijden die de context vormen voor bovenstaande uitspraak. De afwisseling van de jaargetijden die als een waak- en slaapritme opgevat kan worden, als een reusachtige in- en uitademing. In het vroege voorjaar wanneer de knoppen van de bomen uitlopen en de nieuwe blaadjes in al hun tederheid tevoorschijn komen, reikend naar het zonlicht, is als een uitademing te beschouwen. In dezelfde voordracht uit 1910 beschrijft Steiner verder dat het niet een éénrichtingsverkeer is dat door de waarnemingspoort van de planten gaat, het is tegelijkertijd een zien en gezien worden van het Aardewezen én het Zonnewezen, het is een wederzijds proces. Tevens hebben wij als mensen door de planten heen de mogelijkheid om het Aardewezen waar te nemen. Ook vergelijkt hij de mens en het Aardewezen in de verschillende jaargetijden. Zoals de regeneratiefase op fysiek-etherisch niveau bij de mens tijdens zijn slaap plaatsvindt, zo is dat de zomer voor het Aardewezen; die is dan het meest buiten zichzelf, ‘badend’ in het zonlicht door middel van het plantendek. Daarentegen is tijdens het winter halfjaar het Aardewezen het meest teruggetrokken, bij zichzelf als het ware, net zoals wij mensen dat zijn als wij overdag een wakker bewustzijn hebben. En daarmee bouwen we onze krachten juist af.
Heel pregnant samengevat: opbouwfase in de zomer, met weinig of geen bewustzijn, net zoals in de slaap. Wakker zelfbewustzijn in de winter en daardoor interend op de levenskrachten. Het opbouwen en interen zijn levensprocessen, slaap- en wakker bewustzijn vinden plaats op zielenniveau. Het zijn gewoonweg verschillende niveaus, verschillende lagen.
Gelaagde realiteit
De mens heeft een viervoudige gelaagdheid:
-het fysieke lichaam, dat wat meet- weeg- en telbaar is
-het levenslichaam, dat wat voorkomt dat we uiteen vallen, gaan ont-binden
-het zielenlichaam, alles wat met gewaarwordingen, gevoelens, driften etc. te maken heeft
-het ik, mijn wezenskern. Datgene dat door de verschillende incarnaties heen blijvend is.
Net zoals de mens laat de Aarde, als levend wezen, ook een vierledigheid zien, en wel op planetaire schaal.
1.De minerale, fysieke laag die zich vooral in de vele verschillende gesteenten toont, of in de verweerde gedaanten daarvan; zand, leem en klei. De onafzienbare grote continentale platen in Siberië, Amerika en Afrika zijn gevormd uit graniet. Het is het oergesteente met zijn drievoudige samenstelling van glimmer, veldspaat en kiezel (2). Overigens bestaat drie procent van het graniet uit koolstof. Chemische analyses hebben aangetoond dat het om een koolstofisotoop gaat die door een organisch groeiproces is gegaan. Dat wil dus zeggen dat bij het stollen van het graniet, 3,8 miljard jaar geleden, er al leven op aarde was! Bovendien in hoeveelheden die vergelijkbaar zijn met nu. De dode minerale steen heeft nog wel het meest een zijns-karakter en overstijgt in hoge mate de tijdsstroom.
2.De levende, stromende, groeiende, etherische laag. Het element water is dé stoffelijke uitdrukking hiervan. Twee derde van het aardoppervlak is water, de blauwe planeet. Het menselijk lichaam bestaat ook grofweg voor twee derde uit water. Water van zichzelf heeft geen smaak, geur of kleur en is daardoor heel dienstbaar aan alles en iedereen daaromheen. Water stelt zich ter beschikking, het neemt alles op wat er aan omgevingskwaliteiten is (3). Al het leven, of dat nu van plantaardige, dierlijke of menselijke aard is, heeft water nodig. En zo ook de Aarde zelf. Het leven staat sterk in de stroom des tijds, vaak op een ritmische meanderende manier. De groene planten staan eigenlijk symbool voor al het etherische, het is de opbouwpool. Zij leven van het geven.
3.Het bezielde, innerlijke, astrale niveau. Met respectievelijk de lucht en het licht als stoffelijke dragers. De aardeatmosfeer met zijn weersgesteldheden en het vulkanisme in de Aarde zijn beide uitdrukking van astraliteit. Het is die laag van de werkelijkheid die het meest tot de verbeelding spreekt. Beide, het weer en vulkanen, hebben gemeen dat ze volstrekt onberekenbaar zijn, ondanks dat we als mensheid met supercomputers hun gedrag willen voorspellen (4). Een vlinderslag in Amerika kan een orkaan in Japan veroorzaken, ga er maar aanstaan om dat te berekenen. Praktisch in alle oceanen is een vulkanisch actieve middenrug. Die ‘duwt’ in horizontale richting de oceaanbodem naar beide aanliggende continenten. De basaltbodems van de oceanen zijn geologisch gezien daarom heel jong. De ‘oude’ continenten drijven als het ware op deze jonge basaltbodems. Steeds dieper duiken de oceaanbodems onder de continenten door naar beneden en komen daardoor weer in een vloeibare magmatische toestand. In de vulkanische dynamiek op grote diepte kunnen ze weer naar de middenrug terugvloeien om daar opnieuw omhoog te stromen. En zo ontstaat het beeld van een dubbele wervel, van weerszijden van de middenrug. Het is het oerbeeld van het vormen van een eigen binnenwereld, zoals de dieren en mensen die aan het begin van hun embryologische ontwikkeling ook laten zien. Het is de dubbele wervel die voor een eigen binnenruimte zorgt, een astraal oergebaar. Überhaupt staan de dieren symbool voor de astrale driedimensionale realiteit, daarover verderop meer.

Afb.3, de dubbele wervel: van weerszijden van de middenrug beweging naar de continenten, dan naar beneden vervolgens vloeibaar terug naar de middenrug en daar wederom naar boven.
4.De dimensie van het geestelijke, het wezenlijke, de kern. Het is de Aardegeest zelf, die alles draagt en ordent. En zoals het water het fysieke voertuig is van al het levende, het lucht/licht element al het bezielde, dierlijke draagt, zo is het element warmte verbonden met het wezenlijke. Het straalt overal doorheen. En net zoals een mensenwezen een intentie uitzendt, zo ook het aardewezen. Trillingen en frequenties zijn daarbij het meetbare fysieke voertuig. Maar de ‘binnenkant’ van de intentie, de inhoud, is dat uiteraard niet. Het is te vergelijken met hoe een elektrisch pulsje in mijn hersenen zich verhoudt tot de inhoud van de daarbij behorende gedachte. De intentie is thuis in het warmte-element. Warmte in zijn substantiële hoedanigheid is bijna niet voorstelbaar, immers het gaat overal doorheen. Steen, water en lucht kunnen warmte opnemen (en ook weer afstaan). Het gaat dan om de bewegingssnelheid van moleculen, althans zo stellen we ons dat voor. Maar misschien is het vermogen om iets in beweging te brengen wel heel toepasselijk. Immers liefde, als pendant van het warmte-element in het gebied van ziel en geest, brengt ook alles in beweging. En als er sprake is van liefdessubstantie weet iedereen wat daarmee bedoeld wordt en komt niemand op het idee om te stellen dat het niet bestaat vanwege haar imponderabiliteit.
Van de talloze fysieke aspecten die wijzen op de realiteit van de Aarde als een levend wezen, wil ik er hier twee uitlichten:
- als eerste de ronduit sensationele constatering van de wetenschap dat het aardoppervlak gedurende al haar verschillende fasen van haar ontwikkeling een temperatuurgemiddelde had dat tussen +5° en + 50 °C lag. Deze constante duidt op een homeostatisch vermogen, een stabiliteitsvermogen, dat eigen is aan levende organismen. Immers slechts één fase, hoe kortstondig ook, van onder- dan wel overschrijding, zou het einde hebben betekend van al het leven. Venus en Mars, de twee meest nabije planeten, zijn alleen al door hun temperatuurdynamiek volstrekt onbewoonbaar voor het leven: Venus is veel te heet (460 °C) en Mars is te koud (-62 °C, met variatie van +27 ° C overdag tot – 133 ° C in de nacht). Een ander voorbeeld van homeostase is het zoutgehalte van de wereldzeeën. Ondanks de voortdurende toevoer van zouten door alle rivieren wereldwijd, blijft het zoutgehalte in de oceanen constant. Nu blijkt dat de vulkanische activiteit in de middenruggen van de oceanen het zout incorporeert in een onoplosbare minerale vorm. Aan- en afvoer zijn daarmee in evenwicht.
- Behalve de wonderbaarlijke homeostatische vermogens van de Aarde, valt ook op dat het element water, dat zo overvloedig aanwezig is, zijn hoogste warmtecapaciteit heeft bij 36,5° tot 37,5 ° C, precies de lichaamstemperatuur van de mens (5). Het is de optimale doordringing van water en warmte, de respectieve dragers van het levende en het wezenlijke.
Christus’ werkzaamheid
De Aarde als wezen heeft een lange geschiedenis achter de rug. Ze heeft ook nog een hele toekomst voor zich. Tegen deze achtergrond moet men de unieke gebeurtenis plaatsen die tweeduizend jaar geleden, op Goede Vrijdag plaatsvond: de kruisdood van Christus op Golgotha. Hij bracht het ultieme offer: zichzelf. Uit zijn zij vloeide er bloed in de Aarde. En na de afname van Zijn lichaam van het kruis is het in een grafkamer in de Aarde gebracht. De elementen die hierboven als dragers van het astrale beschreven zijn: het weer en het vulkanisme, en die alles met gewaarwording en beleving te maken hebben, komen op dat moment in beroering: het wordt donker terwijl het midden op de dag is en de Aarde beeft. De Stille Zaterdag, de dag tussen Goede Vrijdag en Paaszondag, wordt wel de Hellevaart van Christus genoemd, niet als zuivering van Zijn eigen voorbije aardeleven, maar om zich met het Aarde-wezen zelf te gaan verbinden. Het heeft talloze denkers en dichters geïnspireerd. Zo ook Dante (1265- 1321) met zijn Goddelijke Komedie, een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur. Hij beschrijft daarin een reis naar het midden van de Aarde, aansluitend op de gang die Christus gemaakt heeft (6).
De wederzijdse afhankelijkheid van Aarde en mens
Heeft dit voor de mens, als aardebewoner, een betekenis? Ik zou zeggen, ja, in de meest eminente zin. Mens en Aarde staan in een wederkerige relatie met elkaar. De een kan niet zonder de ander. Een realiteit die vanuit de spirituele tradities wereldwijd al heel lang zo wordt verondersteld, en ook in de antroposofie. Aarde en mens ontwikkelen zich in een co-evolutionair proces. Het offer van Christus was om de mens te helpen bij zijn wereldomvattende taak. De mens speelt heden ten dage bepaald geen positieve rol ten aanzien van de gezondheid van de Aarde. De klimaatcrisis is daar maar één aspect van. Grote delen van de mensheid behandelen de Aarde niet als een levend, laat staan als een bezield en nog minder als een heilig wezen, maar als een ding, een commodity, die naar believen geëxploiteerd mag worden. Het lijkt er op dat we nu als mensheid in een situatie komen waarin op materieel niveau zichtbaar wordt dat mens en Aarde in een wederzijdse afhankelijkheid van elkaar komen te staan, helaas op een negatieve manier. Dat laatste leidt in ecologische kringen vaak tot de conclusie: de Aarde zou beter af zijn zonder de mens, en de Aarde kan trouwens ook prima zonder de mens. Een buitengewoon somber en negatief mensbeeld. Voor mij is het een gegeven dat de mens een uniek wezen is en tot veel meer in staat dan veelal gedacht wordt. Tegenover de gevoelens van machteloosheid die uit het zo net genoemde negatieve menselijk zelfbeeld kunnen voortvloeien wil ik een ander beeld schetsen van de verhouding die mens en Aarde met elkaar hebben.
In de biodynamische landbouw staan ons concreet middelen ter beschikking om de Aarde zélf te verlevendigen: het zijn de preparaten. Zij vormen het hart van de biodynamische landbouw. Ze staan letterlijk in het midden van de landbouwcursus. Hun werkzaamheid gaat verder dan de grenzen van het eigen landbouwbedrijf en omvat ook grotere dimensie: de verzorging en ontwikkeling van de gehele Aarde al levend wezen.
2 En hoe we haar kunnen verzorgen
Hierboven is beschreven hoe de Aarde als een levend wezen is op te vatten. Tevens is een concrete oefenweg aangegeven om als mens de Aarde in haar ‘ogen’ te kunnen kijken en te ontmoeten. Tot slot is de wederkerigheid tussen mens en Aarde beschreven, een realiteit die verantwoordelijkheid voor de mens met zich meebrengt. Heel de schepping, inclusief de Aarde, wacht op de mens.
En nu, met het oog op de toekomst, wat kan de mens doen? Hieronder wil ik beschrijven hoe de biodynamische landbouwmethode middelen in de hand heeft om de Aarde als levend wezen te verzorgen, om haar te genezen en zelfs om haar als wezen in ontwikkeling te ondersteunen.
Landbouw, mens en Aarde
Landbouw heeft als ‘heilige’ opdracht de Aarde te verzorgen en de mens te voeden. Deze tweevoudige taak is gedurende vele duizenden jaren in talloze streken op de wereld uitgeoefend. Tot op de dag van vandaag werken nog steeds veruit de meeste mensen in de landbouw. Helaas zijn de toegepaste methoden in steeds meer landen van dien aard dat ze eerder een afbrekende dan opbouwende werking hebben. Vruchtbaarheid van de bodem en de kwaliteit van het voedsel degraderen op een ongekende schaal.
In de eerste voordracht van de landbouwcursus maakt Rudolf Steiner een opmerking die daar aan refereert: ‘Waarom is het tegenwoordig onmogelijk om nog zulke aardappels te eten als ik in mijn jeugd gegeten heb? Ik heb het werkelijk overal geprobeerd. Je kunt nergens meer zulke aardappels eten, ook niet waar ik ze indertijd gegeten heb’.
Hij doelt hier op processen van planetaire en zelfs kosmische dimensies aan toe, het is immers overal op Aarde het geval, althans zo lees ik het. De tijd waarin dit citaat uitgesproken wordt, ligt 100 jaar achter ons. Een tijd waarin de landbouw nog in hoge mate archaïsch was. Toendertijd was het dus (nog) niet het landbouwkundige handelen van de mens die deze wereldwijde verandering teweegbracht! Het was een ontwikkeling die eigen is aan alle levende wezens, in dit geval de Aarde, namelijk dat ze uiteindelijk sterven. En op de weg daar naar toe, die bij de Aarde heel lange tijd duurt, worden de levensprocessen steeds minder plastisch en krachtig (7).
Planten en dieren zijn af, de mens niet
Afgezien van het minerale kwartskristal zijn alle uitgangssubstanties van de preparaten van plantaardige en dierlijke herkomst. De natuurlijke evolutie is tot een eindpunt gekomen en is min of meer perfect, het is af. Ooit een vogel naast een tak zien landen, ook al waait het nog zo hard? En de jonge vogels die als eersten naar hun overwinteringsgebied in Afrika trekken terwijl ze er nog nooit geweest zijn? Dieren hoeven strikt genomen niets te leren (wat overigens niet uitsluit dat een concrete verandering in hun leefomgeving tot modificaties in hun gedrag kan voeren). Zo ook de planten: hun groeiwijze is af. Niet op een starre manier, maar altijd anticiperend en communicerend in het hier en nu, in respectievelijk de ruimtelijke omgeving en het tijdstip in het jaarverloop.
Er is één wezen voor wie dit niet geldt: de mens. Uitgerekend hij, de kroon op de schepping, komt er op het eerste gezicht bekaaid vanaf. Immers, arm aan intuïties, moet hij alles leren en maakt daarbij veel fouten (8). En toch is de mens door de Goden voorbestemd om verbinder te zijn van hemel en Aarde. En terecht, want door het feit dat hij van nature weinig heeft meegekregen maakt hem open voor het nieuwe. Zijn openheid predestineert hem tot vrijheidswezen. Hij is daarmee in staat een cultureel leven te scheppen, vormgegeven door tradities, riten en rituelen. Vermogens als zelfinzicht, moraliteit en liefde komen pas bij de mens volledig tot verschijning en kunnen de drijfveer van zijn handelen vormen. Idealen als het ware, het goede en het schone vormen het driedimensionaal coördinatenstelsel van zijn ziel. Dat het bij voortduring niet of maar gedeeltelijk lukt, hoort bij zijn opdracht als vrijheidswezen Heel vaak vormen minder edele motieven de drijfveer van zijn handelen: leugen, hebzucht en pure functionaliteit. De Goden, zogezegd van boven, en de Aarde als wezen van ‘beneden’ staan hem ter beschikking maar dringen zich nooit op. Het vrijheidsmotief zou daarmee in het gedrang komen en de mens zou nooit volwassen worden.
De schepping die door geweldige historische ontwikkelingsstappen en begeleidt door goddelijke scheppingsmachten geworden is tot wat het nu is, wacht op de mens, de tovenaarsleerling. Het is precies wat we met de uitgangssubstanties en het proces van het prepareren doen: de tot een eindpunt gekomen schepping in een nieuwe dynamiek brengen en om zodoende de toekomst een toegangsmogelijkheid te geven naar het heden.
Welke preparaten?
Ik wil nu niet de twee spuitpreparaten behandelen, maar me richten op de compostpreparaten en wel die drie die in een dierlijk orgaan gestopt, in de zomer bovengronds opgehangen en in de winter in de bouwvoor begraven worden. Het zijn duizendblad, kamille en paardenbloem, waarvan de bloemen respectievelijk in een hertenblaas, dunne darm van de koe en darmscheil, ook van de koe, komen. Wat gebeurt daar eigenlijk? Om die vraag te kunnen beantwoorden wil ik eerst de ontwikkeling van de plantengroei in zijn algemeenheid beschrijven om in die context de bloemen te kunnen duiden.
Natuurlijke plantengroei
Het begint met een zaadje dat in de aarde ligt en bij de goede omstandigheden tot ontkiemen overgaat. Als eerste komt de kiemwortel tevoorschijn en groeit met de zwaartekracht mee naar beneden, ideëel gesproken naar het middelpunt van de aarde toe. Alleen aan het uiterste uiteinde groeit de wortel verder de bodem in en dat geldt voor alle verdere zijwortels ook. Hij is ééndimensionaal in zijn lijnvormige groeibeweging.
Na het kiemworteltje komen even later de twee kiemblaadjes (of slechts één bij de monocotylen) tevoorschijn. Staande in een volmaakte euritmische A (9). Behalve de lijnvormige steel en nerf verschijnt nu het bladvlak, ook al is het nog zo klein. Voor het eerst verschijnt er een tweedimensionaal groeigebaar. Na de kiemblaadjes komen dan de ‘echte’ bladeren die volgens verschillende wetmatigheden qua vorm en volgorde elkaar ritmisch opvolgen. Zijn de ondergrondse wortels meestal kleurloos, de bladeren zijn gekleurd. En wel groen, in ongelooflijk vele schakeringen. Hier vindt de fotosynthese plaats, het proces waar alle leven van afhangt. DE groene bladeren zijn de opbouwpool.
Op een gegeven moment gaat de plant doorschieten, wederom een nieuwe fase, de bloei, kondigt zich aan. Soms onaanzienlijk maar vaak met prachtige vormen, kleuren en geuren. En altijd, hoe klein ook, een binnenruimte vormend, niet afgesloten, maar omhullend en driedimensionaal zich in de ruimte manifesterend. Bloemen spreken het meest tot onze verbeelding en zeker tot ons gemoed.
En zoals het zaadje als puntvormig schepsel en de lijnvormige groei van de wortels gezamenlijk verwant zijn met het minerale in hun één-dimensionaliteit, een mineraal heeft immers geen binnenkant, zo is de bloem verwant met het dierlijke. Rudolf Steiner noemt de vlinder de losgelaten bloem en de bloem de vastgehouden vlinder. Alle dieren, ook de insecten vormen in hun allervroegste ontwikkeling een fysieke groeibeweging die met de term gastrulatie aangeduid wordt. Het is letterlijk het vormen van een afgesloten binnenruimte.
Zo bezien sluit de plant beneden bij de wortel op het puntvormige minerale aan en eindigt in de bloem met een groeibeweging, waar al het dierlijk leven mee begint. De plant staat dus tussen het minerale en het dierlijke in. Het eigenlijke plantaardige staat in het midden, het tweedimensionale bladgebied. Helemaal geopend voor de omgeving tot de sterren aan toe. ‘De plant heeft geen inhoud, maar een uithoud’ aldus drukt Steiner het kernachtig uit.

Afb. 4, de plant staande tussen mineraal en dier. Het wortelstelsel is verwant aan het minerale, het bloemgebied is verwant aan het dierlijke. Het groene blad is het eigenlijk plantaardige. Het is de opbouwpool.
Terughoudig
De bloemen zijn het hoogtepunt van de plantengroei, daar waar de bladeren ‘spreken’, beschrijven de bloemen in geuren en kleuren jubelend hun verhaal, heel verschillend bij kamille of paardenbloem (10). Het is de opmaat voor de volgende fase: de zaadzetting. Zover komt het echter in dit geval niet, immers de bloemen worden geoogst. Het natuurproces van de plantengroei leeft zich dit maal niet uit in de zaadzetting. De potentie is er echter, hangt in de lucht. Door de bloemen te drogen geven we duur aan die toestand die normaal gesproken maar heel even duurt, vaak maar één dag, zoals bij de eendagsbloemen. Bloeien is de toestand van chaos en wel in mythologische zin (11). Ook die refereert aan de potentie van de Scheppende Geesten. Iedere bloem, hoe klein dan ook, resoneert in zijn bloeien aan deze oertoestand. Dat het natuurproces zich niet uit kan leven, zich terughoudt, is een offer.
De tweede stap is om de gedroogde bloemen in een dierlijk orgaan te stoppen. Zoals hierboven beschreven, hebben de dieren een echte driedimensionale binnenruimte. Bij organen als blaas, darm en darmscheil is het ruimte-omvattende gebaar nadrukkelijk aanwezig. De geoogste bloemen komen nu in een echt gesloten ruimte en maken daarmee een stap in emancipatorisch opzicht. Ten opzichte van de wortel, die met de zwaartekracht naar beneden groeit, en de bladeren die in wezen twee-dimensionaal zijn, zijn de bloemen toch al het meest geëmancipeerde plantorgaan, maar komen nu in een samenhang die in dat opzicht nog een stap verder gaat.
De drie hier genoemde preparaten in wording komen als eerste tijdens de zomer in de ‘buik’ (13) van het landbouwbedrijf te hangen: in de zomerse atmosfeer, bovengronds op het boerenerf. Rondom deze gevulde organen bloeien en rijpen alle planten af, zoals dat in de zomer gebruikelijk is. Alleen deze preparaten-in-wording niet. Zij staan weliswaar in de zomerse uitbundige stroom, maar emanciperen zich daarvan. Je zou het wederom als een offer kunnen zien; het niet-uitleven van een natuurproces.
De derde stap is het ingraven in het begin van de herfsttijd van de preparaten-in-wording in de humushoudende bouwvoor. Humus vormt zich uit alle afgestorven plantaardige substanties die niet tot zaad gekomen zijn. Dus alles wat als wortel, blad en bloem groeide en voorafging aan de uiteindelijke zaadzetting. De humus is het algemeen zaad (Duits: allgemein Samen). Dit in tegenstelling tot de specifieke zaden van viool, biet of zonnebloem. Die specifieke zaden belanden ook in de bodem, maar vormen geen humus, tenminste zolang als ze hun kiemkracht bewaren, soms wel eeuwenlang.
Ook hier zien we een terughouding van de preparaten-in-wording ten opzichte van hun omgeving: alles wordt tot humus maar zij niet. Ofschoon ook zij in die natuurlijke humificatiestroom staan, gaan zij, als enige, in hun omhulde hoedanigheid daar niet in mee. Ook hier wederom een offer, het niet-meegaan in een natuurproces.
Preparaten, zaden voor de toekomst
Het proces is een drievoudige terughouding, het is een drievoudige emancipatoir proces ten opzichte van een natuurproces. Het zijn bloemen van planten die stuk voor stuk dichtbij de mens staan; vaak als geneeskrachtig kruid in gebruik zijn. Maar ze zijn niet gecultiveerd zoals de peen, biet of graan. Ze staan nog volledig in de generatieve stroom, zonder ‘verdunning’ van een voedingsstroom (12).
Ze komen niet tot een specifieke zaadvorming, ze worden geen deel van het algemene zaad, maar zij vormen een nieuwe categorie.
Het zijn geestelijke zaden voor de toekomst van de aarde. Ze zijn onder de hoede en begeleiding van de mens tot stand gekomen en ze danken hun potentie door het offer (13).
Zij kennen de weg door de elementen heen:
- Eerst in een puur plantaardig proces: van aarde, water, lucht/licht naar een warmteverwante fase
- Dan in een dierlijke omhulling nogmaals in eenzelfde proces in de zomer
- Tenslotte in de Aarde in een veraardingsproces naar de humus toe.
Die laatste fase heeft heel veel verwantschap met het composteringsproces bovengronds. Jochen Bockemühl beschrijft uitvoerig hoe het composteringsproces een gang door de verschillende elementen maakt (14). Het is de omgekeerde volgorde die de planten in hun groei maken: van de warmtefase in het begin naar uiteindelijk de aardefase aan het eind. Alleen al vanwege hun hoedanigheid als ‘ervaringsdeskundigen’ in de gang door de elementen in zowel opstijgende als afdalende zin zijn de compostpreparaten procesbegeleiders bij uitstek. Zij brengen wijsheid in de composthoop.
De rol van zoogdieren
Wie wel eens huis gebouwd heeft, weet dat het er allemaal zo klein lijkt uit te zien, zo lang het om het platte fundament gaat. Echter, dat verandert drastisch wanneer het in de hoogte gaat, bij het oprichten van de muren. En dan zien we pas hoe groot het gaat worden. Het krijgt ook een omhullende kwaliteit. Het is het verschil tussen twee- en driedimensionaal.
Een soortgelijke meta-stap brengen de zoogdieren met zich mee; zij brengen een extra dimensie in een biotoop. Ongeacht of het een natuurlijke biotoop is, of dat het een landbouwbedrijf betreft (15). De zoogdieren zijn het meest geëmancipeerd van alle dieren. In plaats van de externe zonnewarmte, zoals bij de koudbloedige dieren, hebben zoogdieren een eigenwarmte die bovendien ook nog eens op een constant peil wordt gehouden. En ten opzichte van de vogels die ook een (koortsachtige) eigenwarmte hebben, is ook de embryologische fase verinnerlijkt, in de baarmoeder. Een ander verschil is de vacht en de melkklieren die de zoogdieren kenmerken. Beide hangen hormonaal gezien nauw met elkaar samen; een deel gaat naar de periferie en vormt de vacht ( en dus ook de hoorns en klauwen) en een ander deel van de hormonale werkzaamheid gaat naar binnen en staat als melkklier aan de basis van de melkvorming.
Of het nu is in de Kalahari, de droogste woestijn ter wereld, de Noord- en de Zuidpool, de oceanen, de hoge bergreuzen, de grote grasvlakten, overal komt dierlijk leven voor. Het zijn zoogdieren die zelfs in zulke extreme biotopen in hun element zijn. Wat doet die antiloop daar in de woestijn, de ijsbeer op de Noordpool, de potvis op vier kilometer diepte in de oceaan, de blauwe vinvis in de Zuidpool, de sneeuwpanter in de Himalaya, de bizon op de prairie?
Het is niet zozeer dat zij er iets zoeken, ze brengen vooral iets. Is het niet met hun geluiden en geuren dan wel met hun bewegingen. Al deze uitingen hebben een constituerende werking op het landschap. Ze brengen niet alleen leven, maar ook bezieling in de brouwerij. Een leven dat bij een ‘enkel’ plantaardige biotoop tweedimensionaal zou blijven.
Indrukwekkend vind ik de drie groepen van dieren die grote trektochten maken: de walvissen in de oceanen, de vogels in de lucht en de grazers op de grote grasvlakten in de wereld. Naar het schijnt waren de gigantische kuddes met bizons al op kilometers afstand te horen, lang voordat ze zichtbaar werden (16). Met name de vogels en walvissen zijn echte globetrotters. Het zijn de geluiden van de overvliegende trekvogels, die op mij als kind grote indruk maakten.
Wat betreft de walvissen, waren er in het verleden, toen er nog geen jacht op hen werd gemaakt, zulke hoge aantallen, vele miljoenen, dat zij met hun wereldomspannende trektochten substantiële hoeveelheden kinetische energie aan de oceanen toevoegden. Bekend is in ieder geval dat hoe meer walvissen er zijn, hoe meer plankton, hun hoofdvoedsel. Laatstgenoemde kunnen zich explosief voortplanten op de uitwerpselen van de walvissen (17). Beide fenomenen, kinetische energie en mest, kun je zien als een astralisering van de oceanen.
Zoals er sprake is van de The big Five in de natuur (olifant, leeuw, luipaard, neushoorn en buffel) zo ook in de landbouw: koe, schaap, geit, paard en varken. De kip, als vertegenwoordiger van de vogels, kan natuurlijk niet onvermeld blijven en maakt van de landbouwkundige beestenboel een sextet.
Behalve de twee omnivoren (varken en kip) zijn ze allemaal pure graseters. Gras is onontbeerlijk voor de opbouw van de bodemvruchtbaarheid en de gezondheid van het bodemleven. De mest van de dieren die daar grazen, maakt het nog veel vruchtbaarder. Zo verschillend als hun karakter en hun gedrag is, zo verschillend is ook hun mest. Het karakter van het beestje drukt zich herkenbaar uit in de mest! De koe is zonder meer het meest belangrijke landbouw huisdier, zij geeft de allerbeste mest. Het flegma van de koe maakt dat de mest jarenlang kan doorwerken in de bodem. Het is niet toevallig dat de koe hofleverancier is van bijna alle preparaatomhullingen en ook van het spuitpreparaat dat de aarde zelf kan verlevendigen.
Om het ‘driedimensionale’ werking van de zoogdieren op het spoor te kunnen komen, zou je eens de volgende oefening kunnen doen.
1. Neem in alle rust eens een weiland waar, waarvan je weet dat er nooit koeien grazen.
2. Vervolgens een ander weiland waar pas geleden koeien graasden.
3. En tot slot een weiland waar nu koeien staan. Wat voor verschillen neem je waar?
Warmte en liefde
De Aarde heeft haar eigen zieleorganen, zoals reeds genoemd: het weer en het vulkanisme. Beide onberekenbaar, want wispelturig. Maar zoals de Aarde als levend wezen de planten nodig heeft om waar te kunnen nemen en om waargenomen te worden, zo heeft ze mede de dieren nodig om haar zielenleven te kunnen reguleren. Dát brengt de Oryx antiloop in de Kalahari woestijn en de ijsbeer op de Noordpool, de potvis in de diepe donkere oceanen. Natuurlijk niet alleen de zoogdieren, maar alle dierlijk leven, ook de insecten. En zoals de regenwormen ondergronds en de bijen bovengronds als regulerende instanties nodig zijn op bijvoorbeeld een landbouwbedrijf, zo ook de koeien. En ofschoon de bijen, heel uniek, als enige insectensoort in staat zijn om als volk de warmte vast te kunnen houden (32 °- 37 ° C), zijn het de vogels en zoogdieren die een grote stap gemaakt hebben door de warmte fysiek te verinnerlijken (18). Het is een voorbereiding op fysiek niveau die later in de evolutie de mens in staat stelde om de warmte op mentaal niveau in zichzelf te ontwikkelen. Dit keer als liefdessubstantie, die door het offer werkzaam wordt. De preparaten kunnen hierbij tot rituelen worden om de Aarde als levend wezen te danken. Zij draagt ons en geeft ons immers alles wat we nodig hebben.
Mens en Aarde
Het is voor ons moderne mensen niet gewoon om de dimensies van ons menszijn in positieve zin te beoordelen, laat staan ons een nieuw-scheppend vermogen toe te dichten. Toch is dat het geval. Misschien moeten we het eerst maar eens rustig tot ons door laten dringen hoe enorm de opgave is, die eenieder in zijn eigen kleine leven kan volbrengen. Immers, net zoals het voor een mens van onschatbare waarde is om zich gezien te voelen door een ander mens, zo is dat ook voor de Aarde als levend wezen. Wij als biodynamische boeren en tuinders hebben met de preparaten heel concrete middelen in handen om deze opgave vorm te geven. En ja, materie moet er mee gemoeid zijn, gezien wij als mensen geïncarneerd-zijn in een fysiek aardelichaam. Anders hadden we ook wel in de Hemel kunnen blijven, zeg ik wel eens gekscherend.
De preparaten werken des te sterker naarmate ze in een bedding van vrijheid en liefde worden gemaakt en toegepast. En, naar ik meen, wanneer uitgevoerd als een modern ritueel, in een gemeenschap met vrienden en collega’s nóg omvattender.
Het maakt de Aarde tot een kiemkrachtig zaad en de mens tot een wezen van liefde, op weg naar een gezamenlijke toekomst.
Noten
1. Uit: ‘De geest in het plantenrijk’. Voordracht van Rudolf Steiner in Berlijn, 8 december 1910.
2. Er zijn ook heel grote hoeveelheden kalksteen en steenkool in de aarde aanwezig. Eerstgenoemde is door een dierlijk (schelpen), de tweede door een plantaardig proces gegaan. Dit is common sense in de gangbare wetenschap. Opmerkelijk wordt het wanneer Steiner in een voordracht stelt dat alle gesteente in de aarde door een plantaardige fase gegaan is. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat het levende aan het dode vooraf gaat, het bezielde aan het levende en het geestelijke primair is.
3. Masaru Emoto (1943-2014), de Japanse wetenschapper heeft daar over gepubliceerd met talrijke foto’s. Het is niet alleen het vermogen van water om omgevingskwaliteiten exact op te nemen, maar ook om ze te bewaren, als een geheugen. Deze twee kwaliteiten van water, open staan en bewaren, gebruiken we ook in de biodynamische landbouw wanneer de twee spuitpreparaten, koemest- en kiezelpreparaat, gedurende een uur geroerd worden.
4. In Europa verzorgt dat het ECMWF, gevestigd in het Engelse Reading. Sinds 2022 met een data centrum in Bologna, Italië.
5. Ook een deel van de dieren hebben een eigen lichaamswarmte: de zoogdieren en de vogels. Laatstgenoemde op een koortsachtig niveau: 41 ° C. Veel zoogdieren hebben een hogere (honden 38 °- 39 ° C, katten 38,5 °-39 ° C) dan wel lagere (walvissen 35 ° C en luiaards 32° C) temperatuur dan de mens. Opmerkelijk hebben de cultuurbijen, als enige insect, ook het vermogen om warmte gedurende de winter vast te houden, niet als individuele bij, maar als imme, het bijenwezen.
6. Dante beschrijft een negenvoudige afdaling naar het geestelijke midden van de aarde. Ook bij Steiner is er sprake van een negen lagen van het geestelijk innerlijk van de Aarde.
7. De ontwikkeling van de ongelooflijke diversiteit van cultuurgewassen en huisdieren uit de wilde voorouders zou nu helemaal niet meer kunnen. De plasticiteit is drastisch afgenomen. Ook de kolossale bouw van de pyramiden en de vele andere antieke bouwwerken wereldwijd, zijn alleen verklaarbaar met de aanname dat de Aarde toen heel anders was dan nu.
8. In de fysieke lichamelijkheid is ook de mens nagenoeg perfect. Het hart, de stofwisseling, de zenuwen, het immuunsysteem, alles, werkelijk alles is op elkaar afgestemd. Ook de verbazingwekkende dagelijkse vernieuwing op moleculair en cel-niveau van ons lichaam getuigt van een ongelooflijke wijsheid.
9. Euritmie is een door Rudolf Steiner geïnaugureerde bewegingskunst met het menselijk lichaam. Voor iedere letter van het alfabet is een specifiek gebaar. Bij de ‘A’ zijn beide armen naar boven gestrekt en vormen ongeveer een hoek van 90 graden t.o.v. elkaar, het is een zich volledig openen naar boven.
10. De vreugde die de aanblik van een bloem verschaft kan wel eens berusten op een ‘objectieve’ waarneming, dat wil zeggen de vreugde is al bij de bloem aanwezig en is niet slechts de aanleiding voor het ontstaan van vreugde bij de waarnemer.
11. In Van Dale woordenboek: 1 chaos: staat van ongeordendheid, syn. baaierd: de chaos vóór de schepping. Uit de Joodse mythologie: de staat van tohoe wa bohoe, waarin nog niets is gevormd, er is potentie.
12. Net zoals het menselijk lichaam drieledig van opbouw is, zo ook een landbouwbedrijf. Het zenuw/zintuig gebied van de mens correspondeert dan met de ondergrond in de aarde. De stofwisseling/ledematenpool van de mens correspondeert met zijn vele omzettingen en bewegingen met de bovengrondse wereld in de zomer met het landbouwbedrijf. Er is dus ruimtelijk gezien een omgekeerde parallel.
13. In de katholieke eredienst en in de Mensenwijdingsdienst van de Christengemeenschap zijn er vier delen: het woord, het offer, de transsubstantiatie en de communie. Trouwens, in een goed gesprek zijn ook dezelfde vier delen terug te vinden. De een spreekt en de ander hoort toe, dat is een offer, daardoor ontstaat er chemie (= transsubstantiatie) die tot een gedeelde ervaring leidt: de communie. Een offer schept een ruimte. In de tekst van de Christengemeenschap klinkt het als volgt: ‘door te offeren ontstaat er een liefde die zelfs in staat is om wezens te scheppen’. (Ik heb het met mijn eigen woorden omschreven omdat de tekst van de Mensenwijdingsdienst niet in geschreven vorm beschikbaar is voor leken).
14. Uit: ‘Levensprocessen in de natuur’ (1982), van Jochen Bockemühl (1928-2020), Goetheanistisch fenomenoloog.
15. Het belang van zoogdieren in het algemeen en landbouw huisdieren in het bijzonder heb ik uitvoerig behandeld in een voordracht in 2023. Zie mijn website, renegroenen.nl op de pagina Artikelen, links en boeken. De titel van de voordracht: ‘De rol van het huisdier in het landbouwsysteem’ (2023).
16. Het zijn de prairies in Noord-Amerika, de pampa’s in Zuid-Amerika, de steppes in Eur-Azië en de savannes in Afrika waar de grote grazers rondtrokken, in heel grote aantallen. Op de prairie circa 33 miljoen bizons. Vanwege het landklimaat zijn ze boomloos (uitgezonderd de savannes met zijn acacia bomen) en met een onvoorstelbare dikke humuslaag. In de Oekraïne, de beste grond ter wereld, soms wel 20 meter dik. De oceanen met hun water mogen dan wel de levenspool van de Aarde zijn, ook de continentale onafzienbare grasvlakten zijn een uitdrukking van de Aarde als levend wezen. Ca 35 % van alle landoppervlak is grasland, net zoveel als alle bossen bij elkaar. Met hun dikke humuslaag binden zij vele malen meer CO2 dan de bossen. Opgebouwd door de ontmoeting van dier en plant.
17. Uit: ‘Klimaat, het nieuwe verhaal’ (2019) van Charles Eisenstein, Amerikaans filosoof.
18. Ook ontwikkelings-historisch gezien heeft de mens alles te danken aan de dieren. Tot slot is het de aap die als laatste de voorloper van de mens heeft verlaten opdat de mens werkelijk rechtop kon staan, de laatste stap in de lange weg naar menswording. In de vele fasen daarvoor heeft de voorloper van de mens respectievelijk het starre minerale, later het gebondene van de planten en weer later het driftmatige van de dieren uit zich gezet om steeds iets meer mens te kunnen worden, zowel op lichamelijk als op zielsniveau.
Reactie plaatsen
Reacties